Budget kleine en kwetsbare musea

Met name middelgrote en kleine(re) musea hebben dringend behoefte aan meer financiële middelen.

In financieel lastige jaren hebben musea veerkracht getoond: vanaf 2017 zijn de eigen inkomsten van musea en de ontvangen subsidies ongeveer gelijk. Ruim de helft van de Nederlandse musea heeft in 2019 gemeenten als belangrijkste subsidiegever. Met een bijdrage van 254 miljoen euro (24% van de omzet) is het Rijk de belangrijkste subsidiegever op nationaal niveau, hoewel de bijdrage van het Rijk in 2019 met bijna 20 miljoen euro is gedaald. Na het Rijk volgen de gemeenten met een bijdrage van 203 miljoen euro (19% van de omzet). De overige subsidiebedragen zijn relatief beperkt.

Negatief resultaat

De kleine musea – met een omzet tot 400.000 euro – realiseerden in 2019 een negatief resultaat van gemiddeld 39.000 euro. In totaal heeft 43% van de kleine musea in 2019 een negatief resultaat uit de gewone bedrijfsvoering. Van de middelkleine musea, met een omzet van 400.000 tot 800.000 euro, schrijft 51% van de musea in 2019 rode cijfers. Gemiddeld kampen ze met een negatief resultaat van 66.000 euro. De middelgrote musea – met een omzet tussen 800.000 en 3,2 miljoen euro – realiseren in 2019 gemiddeld een negatief resultaat van 50.000 euro. 55% van deze groep musea ervaart een negatief resultaat. 

Gemeenten

De rol van gemeenten in de financiering van musea is een grote zorg voor de Museumvereniging en de aangesloten musea. De steeds geringere bijdragen van gemeenten heeft ernstige gevolgen voor met name kleine(re) musea die naast huur en andere vaste lasten vrijwel geen geld meer overhouden voor beheer, behoud en presentatie van hun collectie. Ongeveer de helft van alle middelgrote en kleine musea met een omzet tussen 400.000 en 3,2 miljoen euro schrijft al jaren rode cijfers. Voor de langere termijn zijn dit aanmerkelijke risico’s voor de aantrekkingskracht van Nederlandse musea.

482 miljoen euro voor cultuur

Met de invulling van de 482 miljoen euro neemt de minister stelselverantwoordelijkheid voor het gehele museumveld, ongeacht grootte, vestigingsplaats, wijze van financiering of type collectie. Hiervan komt 150 miljoen euro via gemeenten beschikbaar voor de zogeheten ‘cruciale lokale culturele infrastructuur’. Deze middelen zijn bedoeld voor gemeenten en zullen net als in het eerste steunpakket via het Gemeentefonds beschikbaar komen. Vooralsnog is dit budget echter niet geoormerkt, waardoor nog niet zeker is gesteld dat deze middelen terechtkomen bij de instellingen, zoals musea, waarvoor het is bedoeld. De Museumvereniging roept daarom de Tweede Kamer op om dit budget te oormerken door een doeluitkering. 

Versterking financiële betrokkenheid

In 2018 gaf de Museumvereniging daarom aan dat met name middelgrote en kleine(re) musea dringend behoefte hebben aan gerichte dijkverzwaring en versterking van financiële betrokkenheid van subsidiënten. Die oproep staat nog steeds.

Investeren is urgent

Kerntaak van de Nederlandse musea is om alle inwoners van ons land te verbinden met museale collecties. Dat kan alleen als politici musea in hun hart sluiten én zich hard voor musea maken, ook in financiële zin. De rijksoverheid heeft met de decentralisatie taken belegd bij gemeenten, zonder daar alle gelden bij te leveren die bij deze taken horen. Burgemeesters van de G40, de veertig grootste gemeenten van ons land, hebben daarom, voorafgaand aan Prinsjesdag 2019, de noodklok geluid. Grote en middelgrote steden verwachten de komende vier jaar ongeveer een half miljard euro tekort te komen, waardoor de overleving van culturele voorzieningen zoals musea - zeker ook door de tijdelijke sluiting van musea door de coronacrisis - in gevaar kunnen komen.

Meer middelen beschikbaar

De Museumvereniging onderschrijft dat er financiële middelen voor aankopen beschikbaar moeten zijn. Zowel voor grotere én kleinere musea, dus zowel bij het Nationaal Aankoopfonds als bij het Mondriaanfonds.