Arbeidsmarkt

De Museumvereniging bouwt aan een solide en toekomstgerichte bedrijfsvoering die gezonde, gemotiveerde en productieve vrijwilligers, freelancers en medewerkers stimuleert in hun ontwikkeling. Hiervoor voert de vereniging een actieve lobby op het gebied van de arbeidsmarkt.

Alleen dankzij de deskundige inzet van alle medewerkers en vrijwilligers kunnen de Nederlandse musea zo’n 80 miljoen voorwerpen bewaren, onderzoeken, interpreteren en presenteren. Uit Museumcijfers 2019 blijkt dat de werkgelegenheid bij musea blijft groeien: in 2019 werkten er 1.400 meer mensen bij musea dan het jaar ervoor. De totale werkgelegenheid was bijna 42.000 banen, waarvan 28.000 (67%) onbetaald als vrijwilliger of stagiair. De totale personeelssterkte gemeten in voltijdsbanen is 10.600 ft's waarvan 7.800 fte's betaalde banen. Musea hebben de afgelopen jaren meer personeel in vaste dienst aangenomen en minder in tijdelijke dienst. Daardoor is het aandeel van het personeel in vaste dienst in het betaalde personeel gestegen van 68% in 2014 naar 70% in 2019.

Stijgende werkdruk

Door stijgende werkdruk, onder met name conservatoren en onderzoekers, komt de collectietaak van musea in het geding. Deze werkdruk is niet alleen ongezond, maar leidt ook tot ongewenste uitstroom en zet een rem op het bruikleenverkeer omdat het aanvragen en afhandelen van een bruikleen een complex en arbeidsintensief proces is. De Museumvereniging gaf daarom al in 2014 de aanbeveling aan de Nederlandse overheid, als eigenaar van het merendeel van de collecties, om te blijven investeren in het digitaliseren van de Collectie Nederland. Als vrijwel alle collecties digitaal toegankelijk zijn, kunnen bruikleenaanvragers doelgericht een verzoek indienen en daarmee de werklast voor het hele museale veld verminderen.

Ondernemende aanpak

De afgelopen jaren hebben musea (tot de coronacrisis uitbrak) de forse bezuinigingen grotendeels opgevangen door een ondernemender aanpak. De totale omzet van musea is met bijna 1,1 miljard euro in 2019 iets hoger dan in 2018. De eigen inkomsten dragen in 2019 ruim 50% bij aan de omzet. De bijdrage van Rijk, gemeenten, provincies en rijkscultuurfondsen is goed voor de overige 50%. In 2014 was dat nog 55%. Een meer ondernemende aanpak vergt niet alleen andere competenties van museummedewerkers, maar ook om een grotere aantrekkingskracht van musea op de arbeidsmarkt. Om zo medewerkers met kennis en kunde van bijvoorbeeld marketing, fondsenwerving en een e-depot te kunnen laten instromen en tijdig nieuw talent (zoals conservatoren) op te kunnen leiden.

Werkdruk

In 2019 neemt de werkdruk door de toegenomen personeelsinzet licht af ten opzichte van 2018, behalve bij de commerciële activiteiten. De verminderde werkdruk komt ook tot uiting in een lichte daling van het ziekteverzuim van 4,8% in 2018 naar 4,6% in 2019. De ontwikkeling van de werkdruk loopt uiteen bij de verschillende functiecategorieën. De werkdruk is het sterkst gestegen bij het personeel dat zich bezighoudt met educatietaken en met de collectie en wetenschappelijk onderzoek daarnaar. Bij dat personeel stijgt de werkdruk per saldo met 13 à 15%. Dit komt doordat zowel het aantal schoolbezoeken als de omvang van de collectie en het bruikleenverkeer sterker zijn toegenomen dan de personeelssterkte van de bijhorende functies. Bij de overige functies stijgt de werkdruk minder dan gemiddeld.

Financiering voor opleidingsprogramma’s is te beperkt

De huidige externe financieringsmogelijkheden, via bijvoorbeeld het Prins Bernhard Cultuurfonds en de Vereniging Rembrandt, zijn te beperkt. Zij bieden slechts de mogelijkheid voor een korte aanstelling van een junior conservator. Terwijl een conservator zich jarenlang in een onderwerp moet kunnen verdiepen voordat er een inhoudelijke bijdrage kan worden geleverd. In het belang van alle musea – van hedendaagse kunst tot natuurhistorie – zou er budget moeten komen voor langjarige opleidingsprogramma’s voor junior conservatoren.